Wij.

W

Toch wel een beetje opgelucht kom ik naar beneden. In de verte hoor ik vanuit de gang nog je kleine handjes die achter elkaar op je Pip-knuffel ‎drukken, waardoor het beest de hele tijd La La La blijft zingen. Je huilt niet meer, iets wat je de afgelopen twintig minuten van vermoeidheid wel deed. Ik ruim je speelgoed op en mijn oog valt op een opgefrommelde trui die tussen de blokken en de Duplo ligt. Ik pak ‘m op en ruik eraan. Verstopt in een sterke geur van macaroni en pindakaas vind ik al snel de geur van Stach. Direct voel ik de behoefte om naar boven te rennen, je uit je bed te sleuren en de hele avond samen torens te gaan bouwen, tot we allebei uitgeput in slaap vallen. Ik beheers mezelf, druk mijn neus nog een keertje in de trui, gooi ‘m in de wasmachine en zet een muziekje op om de stilte te doorbreken. Want sinds jij er bent is het minder stil in huis. Maar als je dan slaapt is het ineens écht stil. En tenslotte pak ik m’n iPad om foto’s van ons te bekijken. Want ik ben nu een ons.

En dat is gek, want eigenlijk ben ik een ik-persoon. Bezig met mezelf, met mijn eigen behoeften en vooral niet met de wereld om me heen. Hoe minder mensen, hoe beter eigenlijk. Dat had ik als kind al toen ik me het liefst opsloot op mijn kamertje. Van die momenten waar ik helemaal alleen ben en nergens aan hoef te denken zijn voor mij ultieme fijnheid. Verstand op nul en verder niets. Geen echtgenoot zijn, geen papa zijn, geen collega zijn. Niks van dat alles. Gewoon Eric.

Maar de afgelopen vijftien maanden ben ik niet meer gewoon Eric. En zijn die momentjes alleen niet langer momentjes alleen. Want ik denk alleen maar aan je kleine handjes die je naar me uitsteekt omdat je opgetild wilt worden. Hoe we laatst nog zo superfijn op vakantie waren en er niets anders op de wereld leek te bestaan. Of ik kijk maar weer eens naar een foto van toen je echt klein was, in plaats van het grote kind dat je veel te snel echt begint te worden.‎ Op die avonden alleen denk ik aan jou. En twijfel ik. Ben ik wel lief genoeg voor jou? Maak ik niet te weinig tijd voor je vrij? Moet ik eigenlijk wat strenger voor je zijn? Neem je geen slechte eigenschappen van me over? En erger nog: ik mis je aanwezigheid. Je bent een verdieping van me verwijderd en ik mis je. Mijn momentjes alleen voelen voor het eerst leeg. Alsof er een stukje van mij niet is.

Het heeft tweeëndertig jaar geduurd, maar het is dankzij jou eindelijk zo ver: ik denk in wij. Jij, je andere papa en ik. Er is geen ik meer, hoe graag ik dat vanuit mijn ultieme zelf ook zou willen. Het is nu voor altijd wij, wat de toekomst misschien ook gaat brengen. Dat was in 2015 zo en gaat het nu in 2016 ook zijn. En alle jaren daarna. ‎En daar ben ik niet eens bang voor. Of nou ja, niet meer zo heel erg dan.

stach_heide_2

Plaats reactie