Vrij Ongezellig.

V

Het is de zoveelste dag van de negenentwintigste hittegolf in Nederland wanneer ik dit schrijf. Niet alleen mijn hersenen worden zompig van dit extreem warme weer, ook de constante stroom aan alcohol speelt wellicht een rol voor mijn warrige staat van zijn. Want ik ben een paar dagen alleen thuis. Zonder man. Zonder kind. De enige verantwoordelijkheid die ik these days draag is voor de hond en dus betekent het: volledig terug naar af. The single life in -bijna- volle glorie.

Geen schuldgevoel, geen verantwoording, geen regels. Niets. Maar dan ook echt letterlijk: niets.

Een paar dagen bivakkeren op de camping, dat doet de rest van mijn gezin momenteel. Omdat ik 1.) een grafhekel heb aan de camping en 2.) gewoon dien door te werken, ben ik dus uitgezonderd van het gezelschap. En worden thuis mijn ergste vermoedens bewaarheid: het genieten van de rust, tijd voor mezelf nemen en opgelucht ademhalen in een uitgestorven huis is niet meer zaligmakend en fijn. Sterker nog: ik ben een rusteloos wrak in mijn eentje. Die zo’n beetje aan niets toe kan komen, behalve het missen van zijn gezin en me als een complete freak steeds afvragen wat ze aan het doen zijn. Zonder mij. Ondertussen dood ik de tijd enigszins door me te verdrinken in glazen wijn en ongezonde troep. Want ook díe slechte eigenschappen duiken ineens weer op als een duveltje uit een doosje. Schaamteloos een Party Pack chips leeg vreten met twintig slagroomsoesjes als dessert, doe ik namelijk echt alleen maar als er niemand kijkt. En dat is nu. Geen schuldgevoel, geen verantwoording, geen regels. Niets. Maar dan ook echt letterlijk: niets.

Ik wandel net zo lang met de hond tot ik toch minstens een kwart pizza aan calorieën heb verbrand, om vervolgens bij thuiskomst weer een hele mijn bakkes in te schuiven.

De uren gaan voorbij. Ik breng ze door met mijn beste vrienden: Netflix, Videoland en HBO. Mijn Apple Watch is de enige die me vertelt welk moment van de dag het is. En of het al tijd is om met dichtgeknepen ogen en flets gelaat de stap naar de buitenwereld te wagen. Inclusief mijn veel te warme knalrode regenjas, die ik alleen maar draag om de etensvlekken op mijn T-shirt te verhullen. Eenmaal daar aangekomen wandel ik net zo lang met de hond tot ik toch minstens een kwart pizza aan calorieën heb verbrand, om vervolgens bij thuiskomst weer een hele mijn bakkes in te schuiven. Het moment dat ik zó misselijk of dronken ben dat ik bijna niet meer kan staan, is de cue voor bedtijd. Om de volgende dag wakker te worden in een stinkende kamer, struikelend over een spoor aan vuile was naar beneden te schrijnen en te eindigen in een rommelige keuken zonder verse koffie. Of brood. Of een frisse adem.

Net voordat ik me volledig verlies in mijn zelfmedelijden en de zoveelste oversteek naar de supermarkt wil maken voor een verse portie ongezond comfortfood, bedenk ik me dat het alweer bijna tijd is om mijn mannetjes op te halen. En me tevens besef dat ik de laatste uren in ‘vrijheid’ ga doorbrengen met een sopje en ontsmettingsmiddel. Tenslotte realiseer ik me óók weer eens dat ik niet alleen op de wereld ben. En beter nog, dat ik dat ook helemaal niet wil zíjn. En dat is ook weleens anders. Waarschijnlijk een half uur nadat mijn liefjes er straks weer zijn. Gelukkig heb ik nu dan deze column om terug te lezen hoe ellendig ik me in m’n uppie gedraag. En voorlopig een keiharde kater, die me daar ongetwijfeld óók aan herinnert.

Illustratie: Studio Zaterdag

 

 

 

1 reactie

De Archiefkast