Spiegeltje, Spiegeltje.

S

De vragen blijven op een gemiddelde dag net zo lang op me afkomen als die kriebelige en vervelende haartjes van de eikenprocessierups. ‘Pahaaap, wil je een Duckie met me lezen?’, ‘Papaaaa, zullen we een podcast luisteren?’, of: ‘Zou je nog eens dat verhaaltje over het oude vrouwtje willen vertellen?’, het gáát maar door. Het liefst wimpel ik ze stuk voor stuk af met een dikke vette nee en één of ander lulsmoesje waarom ik er eventjes geen tijd voor heb. Terwijl het vooral een kwestie is van nul zin. Of liever met mezelf bezig blijf. Ondanks dat ‘t een onschuldige wens van zoonlief is, kan hij me er als geen ander mee raken en lijkt er een missie van gemaakt te hebben om nauwkeurig te weten waar m’n gevoelige snaar zit of op welk knopje hij moet drukken om me volledig te laten ontploffen. Als ik er dan later van een afstandje naar kijk weet ik precies waarom Het Kind zo onder m’n huid kruipt, het is alsof ik in de spiegel kijk. Of beter gezegd, in een teletijdmachine naar de jaren negentig ben getransporteerd. Live voor m’n ogen.

In plaats van een bak woede en onmacht als een vulkaan over ‘m heen te laten stromen, wil ik het eens proberen om te draaien.

Dat wandelende spiegelbeeld praat en doet me vooral na als hij onrustig is. Of boos. En er is niet onwijs veel inbeeldingskracht voor nodig om op zo’n moment de link met m’n eigen emoties te leggen. Maar het gaat verder dan dat. Ook delen van m’n onderbewuste zelf zie ik terug in zijn doen en laten en hoe ons wondertje op me reageert. In plaats van dat gevoel te beantwoorden door een bak woede en onmacht als een vulkaan over ‘m heen te laten stromen, wil ik het eens proberen om te draaien. Iets leren van hém. Die momenten waarop ik tot op de kern geraakt word, bieden óók de kans om weer ietsje meer over te weten te komen. En ontdek ik al snel dat er een soort jaloezie of zelfs afgunst ontstaat op dat open en blije vizier waarmee Stach de wereld inkijkt. Ik ben dat zelf ergens gedurende de rit kwijtgeraakt en ondanks dat ik never nooit wil dat onze telg het zelfde lot ondergaat, ben ik door mijn nukkige gedragingen toch aardig op weg.

Het gekwetste stukje uit mijn eigen jeugd waarop ik me niet gezien of gewaardeerd voelde, heb ik járenlang kunnen wegstoppen in een zogenaamd Pijnlijke Ervaringen-potje. Maar je begrijpt het al: eens gaat de deksel er van af en natúúrlijk ging ‘t mijne open toen ik zelf vader werd.

Afwijzing, dat is de kern van het probleem. Het gekwetste stukje uit mijn eigen jeugd waarop ik me niet gezien of gewaardeerd voelde, heb ik járenlang kunnen wegstoppen in een zogenaamd Pijnlijke Ervaringen-potje. Maar je begrijpt het al: eens gaat de deksel er van af en natúúrlijk ging ‘t mijne open toen ik zelf vader werd en er in één klap een complete en niet-kapotte mini-versie van mezelf in mijn armen lag. Die hoe groter hij groeit, steeds meer contact wil hebben met álles van mij, dus óók met die ellende uit dat verdomde potje. Dat geef ik ‘m niet, maar voelt ie uiteraard toch feilloos aan en vervolgens probeer ik het nóg harder weg te stoppen. En dus blijft dat knappe knaapje maar hameren en hameren, zeuren en zeuren tot ie -ver mijn grenzen passerend- wél ergens bij me komt. En ben ik weer terug bij die afwijzing van toen. Waar ik dan vervolgens razend van word, terwijl het eigenlijk logisch is dat Stach een complete ouder wenst te hebben, hij weet niet beter. Inclusief de stukjes die ik heb weggestopt omdat ik al die jaren van mening was dat die gedragingen minder gewenst waren. Ik ben overduidelijk onvoldoende in staat om de gevoelens tevoorschijn te halen, of nou ja, het lúkt me simpelweg nimmer. Daardoor ontstaat er een dynamiek waarbij ik ze ook bij hem de kop in probeer te drukken. Een strijd die ik overigens voornemens ben nóóit te willen winnen.

Ik wil niet dat ons lieve kleine frummeltje het hele bordspel Monopoly door de kamer heen smijt als het eventjes niet gaat zoals hij wil. Dat mag dan wel míj́n initiële reactie zijn, ik ontplof liever van trots als ie zijn schouders ophaalt en na een krankzinnig verlies zegt: ‘goed gedaan papa, nog een potje?’. Of als ik de uitdaging aanga om samen met onze zesjarige zoon en uit de kluiten gewassen puppy ga wandelen, níet na elke drie stappen zeg dat ze moeten doorlopen. Ik zal moeten leren dat ik degene ben die z’n eigen verzuurde patronen moet zien te elimineren, in plaats van hun speelse levensvreugde elke seconde van de dag om zeep te willen helpen uit frustratie. Want nu komt die boemerang -inclusief de nodige irritaties- keer op keer nog bij me terug, als dat nooit meer voorkomt ben ik nog verder van huis en vergeef ik mezelf never ever.

En dus zit er eigenlijk maar één ding op nu: ik moet een moment in zien te bouwen tussen de actie van m’n kind/hond en mijn prikkelbare reactie als ouder/baasje. Het besef dat mijn overdreven en gekrenkte respons afkomstig is uit dat potje van Pijnlijke Ervaringen. Die deksel is er nou eenmaal vanaf en gaat er nooit meer op, maar het is aan mij om te leren dat die ellende iets van vroeger is en als volwassene simpelweg niet meer bestaat. Sterker nog: ik ben er niet meer afhankelijk van en ‘t zou een soort persoonlijke missie moeten worden om die brok negativiteit met deze generatie te laten uitsterven. Eigenlijk is het vooral een kans om niet meteen en automatisch in m’n aangeleerde strategie te schieten. Door zo’n soort bewustwording te creëren geef ik niet alleen mezelf (en daarmee bijvoorbeeld óók mijn lief) meer ademruimte, het zorgt er daarnaast voor dat ons jubelende jochie kan zijn wie hij werkelijk is en wil zijn. Niet alleen nu, maar hopelijk de rest van zijn bestaan. Een spel wat ik dolgraag wil winnen, het lijkt me namelijk best een prettig vooruitzicht dat Stach als volwassen man zichzelf wél gewoon recht in de spiegel kan aankijken.

Illustraties: Studio Zaterdag

2 reacties

Sjieke Spam

Een vorstelijke behandeling krijgen als lezer? Dat kan! Schrijf je in en ontvang direct een mailtje als een nieuwe column het levenslicht heeft gezien...

Koninklijk Archief