Rozengeur & Witte Wijn.

R

Mijn allereerste bijbaantje was bij de Albert Heijn. Vakkenvullen. En later schopte ik het zelfs tot kassajongen. Veel verdienen deed ik er niet mee, zo’n drie gulden per uur als vijftienjarige snotneus. Daar bleef überhaupt nooit zo enorm veel van over trouwens, ik maakte mijn vers verdiende salaris direct op aan van die gigantische blikken Grolsch. Formaat directe alcoholvergiftiging zeg maar. Die dan uiterst chique en elegant voor de deur tussen de winkelwagens opgezopen werden. Soms met een sigaretje erbij, of als de avond vorderde een fles Baileys. Of Passoa Jus. Doordeweeks eindigde de werkdag na dit drankfestijn, maar in de weekenden was het slechts een opmaat naar het echte werk: de club. Nou ja, in de Achterhoek bestond die scene uit tot discotheken omgebouwde boerenschuren. Waar de alcohol óók rijkelijk vloeide. NIX18 bestond toen nog láng niet, had ik me absoluut niet aan gehouden trouwens, die drie jaar zonder alcohol overbruggen was me never gelukt.

Met de inname van meer dan twee glazen drank per dag voldoe je officieel gezien al aan het label alcoholist, dat heb ik toch zo’n twintig jaar lang afgevinkt.

Ik wist me namelijk absoluut geen houding te geven als opgroeiende tiener in het boerenland. Overduidelijk homo, al durfde ik daar in die tijd niet aan te denken, laat staan dat ‘t daadwerkelijk bestond. Ik gedroeg me de meeste uren van de dag als een muurbloempje, maar met een aantal biertjes in m’n mik begon ik te leven. En te leveren. Hilarisch vond ik mezelf dan. En eindelijk leuk. Drinken voor de aandacht dus. Want ik wilde dolgraag one of the guys zijn. Dat de scherpe randjes er óók nog makkelijk van af gingen, leerde ik op die jonge leeftijd. Al mijn aarzelingen en onzekerheden verdwenen als sneeuw voor de zon tankend aan de bar van de plaatselijke bar. Helaas vervaagden m’n grenzen even snel: kotsen in de sloot, op straat of in zo’n ranzige toiletpot, ik raakte er steeds sneller aan gewend. Een toestand die sinds eind jaren negentig nooit meer echt veranderde. Met de inname van meer dan twee glazen drank per dag voldoe je officieel gezien al aan het label alcoholist, dat heb ik toch zo’n twintig jaar lang afgevinkt. Allesbehalve anoniem.

Bier tijdens m’n middelbare schooltijd, Malibu en wodka in het studentenleven, om uiteindelijk te eindigen met witte wijn toen ik eenmaal begon met werken. Van die goedkope supermarktmeuk, waarbij het verschil met spiritus eigenlijk alleen een iets nettere fles betrof. Die ging dan open tijdens het koken en haalde het einde van de avond nooit. Aangebroken terugzetten in de koelkast kwam niet eens bij me op. En het effect was na al die jaren stééds dezelfde: ik vond mezelf leuker, grappiger en liever met een duizelingwekkende dosis alcohol in mijn systeem. Maar ja, ik was inmiddels zo’n beetje de enige met die mening en zoals met alles in het leven: ‘t ging van kwaad tot erger. Van elke dag een flesje mee de boodschappentas in, werd ik al snel vaste klant bij Gall & Gall en rekende ik enkel nog maar in dozen. ‘Handig om in huis te hebben voor als we bezoek krijgen’, dacht ik behoorlijk naïef. Maar als er dan een keer visite kwam moest ik alsnog naar de slijterij, ik had het tot mijn benzine omgedoopte goedje dan natuurlijk allemaal al op. Tot de laatste druppel. Als een probleem zag ik het al die jaren niet, het was tenslotte gezellig. Dácht ik.

Het leuke ging er natúúrlijk behoorlijk snel vanaf. Als mijn liefje me voor de zoveelste keer volslagen van de wereld de auto in moest slepen bijvoorbeeld. Of als ie de telefoons van vrienden links en rechts uit m’n gezichtsveld moest slaan om te voorkomen dat er beschamende foto’s gemaakt werden van een compleet knock-out zijnde en zichzelf onderspugende Eric op de bank. Maar het dieptepunt was met kop en schouders de vijfde verjaardag van zoonlief. Een bloedhete nazomerdag in september. Ik begon z’n fuif met een gezellige rosé tijdens de lunch om in de sfeer te komen, maar eindigde volkomen bezopen in m’n bed. Hoe ik daar ben gekomen weet ik tot op de dag van vandaag niet, de laatste herinnering was hoe ik op één plek aan tafel moest blijven zitten, omdat ik anders simpelweg om zou vallen. Op welke gênante manier de gasten me hebben achtergelaten is één zwart gat, durf er ook niet meer naar te vragen. Heel veel impact had ‘t overigens toen niet, want tijdens Oudejaarsavond 2019 deed ik het tafereel een paar maanden later schaamteloos over. Wederom met de bijbehorende black-outs en het ene trieste verhaal na het andere achteraf. Maar die keer gingen m’n ogen wél open. Geen alcohol meer drinken werd het clichématige goede voornemen van 2020 en -in tegenstelling tot zo’n beetje alle andere afspraken die ik met mezelf maakte in het verleden- heb ik me daar wonderbaarlijk genoeg aan kunnen houden. Cold turkey.

Dat het stoppen met zuipen me niet meteen heeft doen verzuipen voelt écht als een enorme doorbraak, omdat ik simpelweg nooit geloofde dat ‘t mogelijk was.

Precies vijfhonderd dagen verder zijn we. Bijna anderhalf jaar dus. En nog stééds heb ik sinds die onaangename Oud & Nieuw geen druppel meer gedronken. Dat ik beter in mijn vel zit, mijn buik minder opgeblazen is en ik duizend keer makkelijker uit m’n bed kom ‘s ochtends lijkt me logisch. Maar het is vooral dat enorme gevoel van trots wat me het meest goed doet. Het feit dat ik eigenhandig en in één klap een verschrikkelijk sneue levensstijl de nek heb kunnen omdraaien, geeft me hoop. Dat het stoppen met zuipen me niet meteen heeft doen verzuipen voelt écht als een enorme doorbraak, omdat ik simpelweg nooit geloofde dat ‘t mogelijk was. Of eigenlijk vooral dat ik het kón.

Ondanks deze fabuleuze mijlpaal breekt er toch weer een nieuwe fase aan. Langzamerhand lijkt er licht aan het einde van de corona-tunnel te zijn en is het bijna weer tijd voor feestjes, borrels en barbecues. Omdat ik dat alcoholische spraakwater niet voor eeuwig als de verboden vrucht wil blijven zien, zou ik tijdens die gelegenheden best weer een wijntje willen drinken. Gewoon, voor de leuk. Omdat ik het lekker vind. En dus niet langer als pijnstiller wil inzetten. Helaas ken ik mezelf íets te goed en weet ik dat het van ene extremiteit in de andere vallen mijn nummer één valkuil is. En ben ik veel te bang om het niet bij dat ene wijntje te kunnen laten en binnen no-time weer volledig aan de drank verslingerd te zijn. Dus verwen ik mezelf vooralsnog van tijd tot tijd met lekker en ongezond eten. Daarin ben ik óók van uitersten overigens: de ene week honger ik mezelf volledig uit en daarna stop ik werkelijk alles in m’n bek wat ik maar kan vinden. Niet bepaald gecontroleerd of enorm in balans, maar wél minder gênant voor mezelf en de mensen om me heen. Ik loop namelijk toch liever met een chocoladevlek op m’n t-shirt rond, dan dat ik de kotsresten uit m’n mondhoeken moet vegen voordat ik me weer op een partijtje begeef. En het fijne van ouder worden is: ik vind mezelf goed genoeg en heb geen alcohol meer nodig om zogenaamd ‘gezellig’ gevonden te worden. Of ik de soberheid tot de duizend dagen weet te rekken vraag ik me overigens ernstig af, voorlopig doe ik het príma op Coca-Cola Zero Vanilla. Met een zonnetje erbij, parapluutje erop en m’n ogen dicht, kan dat aardig door als cocktail. En als er iets te vieren valt neem ik er gewoon eentje mét suiker. Een katervrije keuze noem ik dat. Sterker nog: trek nú een blikje open. Want mezelf vijfhonderd dagen hebben weten te herpakken is absoluut een nul punt nulfestijn waard. Proost!

Illustraties: Studio Zaterdag

2 reacties

  • diepe buiging voor jou dat je het volgehouden hebt na zo’n voorgeschiedenis.
    De valkuilen zijn erger en sluwer dan je misschien denkt; dus pas op! Het is hetzelfde als met roken.
    Je laat zien dat je karakter en wilskracht hebt!!
    Trots op jezelf mag je zeker zijn!!!

Sjieke Spam

Een vorstelijke behandeling krijgen als lezer? Dat kan! Schrijf je in en ontvang direct een mailtje als een nieuwe column het levenslicht heeft gezien...

Koninklijk Archief