Missie Mismoedig.

M

De maandag mag wat mij betreft per direct en onherroepelijk van de kalender worden gestreept. Als de meerderheid van de mensheid namelijk weer opgewekt, uitgerust, fris en fruitig aan een kersverse week begint, begraaf ik me het allerliefste onder een extra laag dekens als de eerste zonnestralen in mijn ogen prikken. En hoeveel ochtendkusjes manlief me ook geeft of hoe blij onze zoon hyper naast het bed staat te springen, er komt vrij weinig bij me binnen. Niks eigenlijk. Ik ben namelijk iedere keer weer op een missie. Missie Mismoedig heb ik ‘m genoemd. Klinkt op zich wel gezellig toch? Maar jeetje, wat háát ik dat gevoel.

De kleine Eric die me van binnenuit nog steeds achtervolgt gaat ouderwets over zijn grenzen heen en doet wat ie het allerbeste kan: gewoon doorgaan alsof er níets aan de hand is.

In de Dikke Van Dale zijn er talloze betekenissen en synoniemen te vinden van mismoedig. De één nog feestelijker dan de andere. Bedrukt. Depressief. Down. Moedeloos. Neerslachtig. Sip. Somber. Droef. Terneergeslagen. Verdrietig. Zwaarmoedig. Uitgeblust van het weekend -waarbij ik twee dagen non-stop aan moet staan voor mijn gezin en collega’s- ervaar ik ál die emoties. Tegelijkertijd. Ideaal gezien kruip ik dan uiterst zielig en afgezonderd van alles en iedereen op de bank om me te verdrinken in oude afleveringen van Sex and the City of Desperate Housewives. Daaraan toegeven doe ik echter niet, want de kleine Eric die me van binnenuit nog steeds achtervolgt gaat ouderwets over zijn grenzen heen en doet wat ie het allerbeste kan: gewoon doorgaan alsof er níets aan de hand is. Terwijl alle bovenstaande termen door zo’n beetje elke porie in mijn lijf naar buiten sijpelen verzameld als boosheid. Intense en angstaanjagende woede.

De enige die ondertussen gelooft dat alles prima is, ben ik op dat soort momenten nog zelf. Onze zoon weet allang hoe laat het is als ik ‘m voor het ontbijt al vijf keer heb afgeblaft omdat ie… zichzelf is. Alleen al de klanken van zijn stemgeluid kunnen me dan namelijk compleet tot waanzin drijven. Alsof er een drilboor op vakkundige wijze mijn hersenpan binnen probeert te dringen, dát hoor ik. Of als mijn teerbeminde een opmerking maakt over iets pietluttigs, zoals dat ik de vaatwasser voor de triljoenste keer te vol heb geladen (feitelijk juist) en de helft daardoor nog vettig en aangekoekt is. Een terechte constatering en logisch dat ie me daarop aanspreekt, maar het liefst bijt ik zijn hoofd eraf. Hoe dúrft ie zo tegen me te praten als ik me zo slecht voel? Dat ik er op dat moment zelf voor heb gekozen om dat te verzwijgen en bij m’n gezin te gaan zijn, ontgaat me dan natuurlijk weer volledig. Want tijdens dat constante gevecht tussen mijn mentale behoeftes en de aanwezige rol die ik mezelf van kinds af aan heb aangemeten, delf ik altíj́d het onderspit en kom ik week na week op hetzelfde punt terecht: om wél de rust te krijgen waar ik zo intens naar verlang, ren ik het liefst zo ver mogelijk weg van alles. Zonder ooit nog om te kijken. Want ongelukkig en verdrietig kan ik overal zijn. In mijn eentje sleep ik tenminste niemand dat diepe moeras van ellende in, dat is ongeveer de gemiddelde gedachtegang althans.

Uit eigen ervaring voel ik nog steeds af en toe sommige brokstukken van de handgranaat die op mijn redelijk onbezorgde leventje werd losgelaten.

En dan duikt vrij snel het volgende euvel alweer op: de enorme angst rondom die gedachte om ertussenuit te piepen. Of dat nou een kleine stap is, door weer in bed te gaan liggen of wat meer draconische maatregelen: het pakken van mijn koffers voor een weekje me-time. Op de donkerste momenten gaan ze overigens nóg verder: dan bedenk ik me dat het zo niet langer hoeft en dat iedereen beter af is zonder mij. Of concreet: dat ík beter af ben zonder mij. De dood voelt dan als een héérlijke uitweg. Maar welke gradatie m’n mentale mijnenveld ook bereikt, het is allemáál geen mogelijkheid. Ik kan niet uit het leven stappen, maar ik kan net zo min fysiek afstand nemen van mijn gezin en ergens anders gaan wonen. Ik heb die uitweg simpelweg niet. Het zou nooit, maar dan ook nooit kunnen.

Ik was namelijk tien jaar oud toen mijn vader op een willekeurige zaterdagochtend ons gezin verscheurde met de mededeling dat ie zou vertrekken. Zo geschiedde en vanaf dat moment heb ik mijn ouders nóóit meer samen gezien. Er is nooit enige moeite gedaan om ondanks de echtscheiding nog iets van gezamenlijkheid te behouden. Met alle nare gevolgen van dien. Dus hoe ultiem graag ik het soms ook zou willen, het is glashelder dat ik ‘t niet kan maken om te gaan. Uit eigen ervaring voel ik nog steeds af en toe sommige brokstukken van de handgranaat die op mijn redelijk onbezorgde leventje werd losgelaten. Ruim vijfentwintig jaar later zijn de gevolgen daarvan nog tastbaar, hoe kan ik dan óóit zo’n ravage voor de twee belangrijkste mensen in mijn leven aanrichten? Niet dus. Die kans is me ontnomen. Ik zit volledig klem, want weggaan is simpelweg geen optie. Zelfs als ik niet één lichtpuntje in de dag kan zien. En uiteindelijk -als de mist weer is opgetrokken- wil ik dat helemaal niet, maar ik haat mezelf wel intens door het keer op keer te voelen en ervaren.

Gelukkig begin ik me -al gaat dat proces me net iets te langzaam- steeds vaker te beseffen dat je gedachten uiteindelijk je gevoelens bepalen. En moet ik in een veel eerder stadium aan de alarmbel trekken. “Nee liefje, papa blijft eventjes in bed vandaag”, om maar iets te noemen. Of “papa gaat een paar dagen goed voor zichzelf zorgen in een hutje op de hei om me wat beter te voelen”, zou óók een goede afslag zijn. En dat niet pas bedenken als het stoom uit mijn oren komt en ik door allerlei afzettingen heen al lang en breed de afgrond ingereden ben. Want evenals die mismoedige maandagen is het resultaat van tijd voor mezelf nemen net zo voorspelbaar: ik wíl daarna helemaal nergens anders meer zijn dan bij mijn gezin. Als deze collectieve burn-out die we de coronacrisis noemen eindelijk voorbij gaat, is m’n enige wens om met die mannen van mij de wereld ontdekken. Het beste moet nog komen, daar ben ik oprecht van overtuigd. Maar dat er óók momenten gaan zijn dat ik dat níet zo ervaar, moet ik tevens accepteren. En daar een modus in zien te vinden die werkt voor ons allemaal. Aangezien m’n gezin zelfs de Verschrikkelijke Ikke-versie van mij de afgelopen jaren heeft weten te doorstaan, heb ik zo’n vermoeden dat het vanaf nu alleen maar beter kan worden. Die ándere zes dagen van de week althans.

Illustraties: Studio Zaterdag

4 reacties

  • Lieve Eric, het gaat lukken. Liefde overwint alles en je hebt twee fantastische mannen en familie die van je houden zoals je bent. Je komt er wel. Wij houden van jou en geloven er in.
    Liefs je schoonmama.

  • Beste Eric,
    Heel herkenbaar hoor. Ik heb je even een mail gestuurd. Hou vol in ieder geval, terugvallen mogen er zijn. Ik heb ook hele positieve dingen gelezen dus je bent echt wel goed op weg.
    Groet, Paul

Sjieke Spam

Een vorstelijke behandeling krijgen als lezer? Dat kan! Schrijf je in en ontvang direct een mailtje als een nieuwe column het levenslicht heeft gezien...

Koninklijk Archief