In Ziekte en Gezondheid.

I

Tijdens een bruiloft leeft zo’n beetje iedereen op een roze wolk. Als je zelf het gelukkige paar bent zit je vuistdiep ín die wolk. Je liefje is de mooiste éver, het leven is prachtig en de toekomst is rooskleurig to the max. Je belooft elkaar ook nog eens van die prachtige dingen: in armoede en rijkdom, in voor-en tegenspoed, op goede en kwade dagen en dus ook in ziekte en gezondheid zul je voor elkaar zorgen. Prachtig natuurlijk, maar als je doodziek bent en tot je enkels in je eigen kots staat en er niet één tegel van de badkamervloer gespaard is gebleven van de rondvliegende braakselspetters ‎dan is die roze wolk verder weg dan ooit. Eerder een vuurrode wolk van woede. En diepe ellende. Als dit scenario voorkomt bij mijn liefje ben ik in geen velden of wegen te bekennen en zet mijn iPod net zo hard dat ik van die hele overgeeftirade geen seconde getuige hoef te zijn. Huwelijksgeloften, wat zijn dat ook alweer? Maar manlief niet, nee hoor, die presteert het om tijdens mijn diepste lichamelijke en geestelijke dal, terwijl alles wat ik de afgelopen vierentwintig uur tot me genomen heb zich tweezijdig zo snel mogelijk mijn lichaam uit probeert te werken, te vragen hoe het gaat. En me dan ook nog gezelschap probeert te houden. In basis te zoet voor woorden natuurlijk, maar het liefst zou ik z’n kop eraf hakken als dat kon. Als mijn halve mond niet geblokkeerd zou zijn door de kotskorrels van een halve minuut geleden. Dus blijf ik uiteindelijk alleen achter op die koude, vieze vloer en staar miserabel voor me uit en kom tot de conclusie dat ziek zijn als volwassene zuigt.

Want dat ik door mijn koppigheid de afstand tussen mijn zieke, ijlende lijf en zijn fijne gezonde lichaam zo groot mogelijk wil houden, betekent niet dat ik sta te springen om mijn eigen braaksel bij elkaar te gaan vegen in een emmertje met sop. In een flashback van vroeger zie ik mijn moeder aan de binnenkant van mijn ogen ineens met haar zwabber op m’n kamertje staan nadat ik mijn volledige maaltijd kip-kerrie kotsend vanuit mijn hoogslaper naar beneden heb laten storten en precies op dat ene krukje terecht heb laten komen zodat het hele behang op alle plekken besmeurd was en daar zo snel mogelijk weer vandaan moest. Ik draaide me ondertussen om en was blij dat ik voor eventjes van die misselijkheid af was, terwijl mijn mams opdraaide voor de vieze ellende. Gouden tijden, die natuurlijk nooit meer terugkomen. Of wel? En ik weet het briljante plan om mijn moeder te bellen van me af te schudden, want ook zij kan me op dit moment niet helpen. Das war einmal.

Als de heleboel voor het oog weer opgelapt lijkt en alleen de intens zure lucht mijn kotsescapade nog verraadt kruip ik zwetend als een otter weer onder de wol. Niet voor lang, want ik weet dat onze kleine muis van bijna anderhalf het woord uitslapen nog niet in zijn gedragsvocabulaire heeft opgenomen, dus over pakweg drie uur is het alweer feest. En dan ga ik ’t kind met een glimlach en met zoveel mogelijk enthousiasme als ik in mijn zieke lijf heb uit bed plukken. Want ziek zijn komt nou eenmaal niet in mijn persoonlijke papaportfolio voor. Een dagje uitzieken om onder kutklusjes of vage afspraken uit te komen is tot daar en toe, maar tussen quality time met man en/of kind komt niets, zelfs geen waterige diarree en klonterige kots. Komen die huwelijksgeloftes toch nog een soort van uit.

Plaats reactie