In het Harnas.

I

Op 29 mei 1953 lukte het een 33-jarige man uit Nieuw-Zeeland voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid om de Mount Everest succesvol te beklimmen. Hij was niet de eerste die dat deed en zeker niet de laatste. Want in de jaren die volgden hebben al zo’n 4000 mensen geprobeerd om de gigantische berg te beklimmen, de meeste pogingen mislukten en in die ruim zestig jaar zijn er al meer dan 200 mensen omgekomen tijdens hun barre tocht. De mogelijkheden om aan je einde te komen zijn dan ook eindeloos: je kunt versplinterd worden door de keiharde rotsen, of simpelweg stikken omdat de zuurstof in de berglucht op is. Alles boven de 8000 meter hoogte staat namelijk bekend als de zone des doods. Veel lichamen worden nooit gevonden, andere lichamen liggen er na al die jaren nog steeds en worden door de levende klimmers bizar genoeg gebruikt als richtingaanwijzers.

De Nederlandse Eric Arnold was één van die vele bergbeklimmers die ondanks het extreme gevaar, toch aangetrokken bleef door de Mount Everest. Afgelopen week behaalde hij op 35-jarige leeftijd eindelijk die felbegeerde top van die berg, zijn vijfde poging. Eentje die volgens hem moest lukken, nadat ie zijn vorige poging 250 meter voor het eindpunt moest afbreken vanwege bevroren vingers en ogen. Deze keer lukt het hem dus wél, maar de prijs voor de prestatie was niet mals: vierentwintig uur later was hij dood. Een gebrek aan zuurstof en een temperatuur van -30 graden werden hem uiteindelijk fataal. Net als een Australische vrouw trouwens, die in dezelfde groep zat, zij stierf een dag later ook aan dezelfde verschijnselen als Eric.

Ik heb geen extreme passie voor iets, of nou ja, waar ik voor zou willen sterven althans. Ja, ik zou een kogel tegenhouden voor mijn zoon, maar zo’n ultiem levensdoel bereiken zelfs als het ten koste gaat van je eigen leven, nooit. Maar ik veroordeel het niet, sterker nog: ergens snap ik het wel. In oude interviews geeft Eric Arnold dat ook aan, hij kende de gevaren heus wel, maar zag dat niet als een doodsverlangen, maar eerder als een soort levensdrift. Want hoe dichter je bij de dood komt, hoe mooier het leven voor een bergbeklimmer waarschijnlijk is. Ik kan me dan bijna voorstellen hoe ultiem gelukkig je moet zijn als je dat doel dan uiteindelijk bereikt. Ook al voel je je handen niet meer en kan je niet meer zonder hulp ademhalen. Tsja, geef mijn portie maar aan iemand anders, maar voor iemand als Eric Arnold en al die andere in het harnas gestorven helden, kan ik niets anders dan onwijs veel respect hebben.

Plaats reactie

De Archiefkast