De Overkant.

D

Als ik onze zesjarige zoon vraag waarom hij het zo fijn heeft op de plek waar we wonen en of ie niet liever (weer) naar de grote stad zou willen verhuizen is het kind duidelijk: ‘daar is het veel te druk en zijn er echt té felle lampen.’ Het is dat ik onmogelijk nóg meer van ‘m kan houden, anders had ik dat met zo’n antwoord meteen gedaan. Dat is precies hoe ik er namelijk óók over denk. Het is stil hier aan de overkant. En dat is letterlijk wat ik nodig heb. Dat was overigens wel ‘s anders hoor: op mijn achttiende ging ik met gierende banden weg van huis. Niet omdat ik het onder moeders vleugels zo slecht had, verre daarvan zelfs, maar ik wilde de wereld zien. En dus pakte ik mijn koffers en reisde af naar de metropool Zwolle om me daar in het zogenaamde studentenleven te storten. Heel veel anders was het daar overigens nooit, maar toch, het was tenminste weg van die beschermde basis. Na de verplichte studie Journalistiek (ik wilde bij de televisie en dat was m’n ticket ernaartoe) begon het leven pas écht: dat van de televisiewereld. Dus moest en zou ik naar de Randstad, daar waar het allemaal gaande is. Dacht ik.

Geen grap: als een enigszins mannelijke polderversie van Carrie Bradshaw uit Sex and the City voelde ik me helemaal hot en happening als ik m’n hagelwitte laptop in het zoveelste semi-hippe koffietentje openklapte. Dat ik de middag veel liever met een biertje op links en mijn rechterhand diep verstopt in een zak chips wilde doorbrengen vertelde ik natuurlijk aan niemand. Mezelf staande houden, dat kon ik namelijk echt prima in die tropenjaren. Oppervlakkige kletsjes over de lichtheid van ‘t bestaan en ondertussen via m’n eerste echte tv-baan bij Barend & Van Dorp de ene na de andere superster in levenden lijve ontmoeten. Túúrlijk ging ik daar goed op. Maar -spoiler alert- als je uiteindelijk carrièretechnisch al je dromen hebt bereikt, gaat het tóch ergens knagen. In mijn geval was ik bang om als eenzaam werkpaard in het harnas te sterven. Dat er dan ooit op mijn grafsteen zou staan: ‘hier ligt Eric, een goede en fijne kracht’, punt. Heel erg veel tijd om me daar zorgen over te maken was er overigens niet, want op precies het juiste moment wandelde mijn grote liefde het leven in en wist ik ‘m te overtuigen om te doen waar m’n hart zo naar verlangde: terugkeren naar ‘t thuishonk. De plek waar alles begon en veilig was. Daar waar ik eerder nóóit meer wilde zijn: De Achterhoek. Bestaande uit de woorden achter en hoek klinkt dat dúbbel ver weg, maar eigenlijk best dichtbij. Voor mij is ‘t dat gebleven: dichtbij. Wat ik ook deed of zei, stiekem wist ik allang dat m’n thuis voor eeuwig Het Verre Oosten zou zijn.

Ergens ligt daar wellicht toch een gevoel van schaamte in verborgen. De jongere versie van mijzelf zou die pestkoppen op de basisschool wel ‘s een poepie laten ruiken en zich ultiem bewijzen in de grote stad. Dat paste totáál niet in het beeld van ‘t beschermde bestaan van het platteland waar ik simpelweg hoorde. Een masker waar ik me tot op de dag van vandaag nog weleens achter verschuil, merk ik helaas. Als mensen me vragen waar ik woon hoor ik mezelf grappend zeggen: ‘bij Polen een klein stukje naar links, vlak voor je de aarde af dendert’, daar spreekt dan -onterecht- niet eens een klein beetje trots uit. Terwijl ik in werkelijkheid bijna uit elkaar spat van enthousiasme over die regionale roots van mij.

De Achterhoek. Bestaande uit de woorden achter en hoek klinkt dat dúbbel ver weg, maar ‘t is best dichtbij.

Daarbij speelt de beeldvorming óók nog eens onderbewust een enorme rol. Behalve een moordzaak, corona-uitbraak in een bejaardencentrum of een verschrikkelijk eenzijdige en niet-representatieve docureeks van de EO, hoor je vrij weinig over die alleraardigste Achterhoek in de landelijke media. Dragen we zelf ook niet echt iets aan bij trouwens, want hoewel iedereen hier van de rust, natuur en gemoedelijkheid voldoening krijgt, dóen we ook dingen. Goede dingen. Maar echt hoog van de toren blazen kunnen we vervolgens niet. Terwijl iedere Nederlander wel een stukje Achterhoek bij zich draagt. Of dat eigenlijk zou móeten doen, het aantal levensgenieters mag namelijk best wat omhoog.

En dus: hierbij een persoonlijk complimentje aan mijn thuisbasis. Want de tijd dat onze provincie grossiert in briljante prestaties en alleen maar reageert met ‘viel niet tegen’ is wat mij betreft wel voorbij. Om dat standpunt wat extra kracht bij te zetten ga ik -naast ‘t verschijnen bij RTL Boulevard– vanaf dit voorjaar aan de slag bij de regionalen. Vol trots kan ik melden dat ik me bij de club van Omroep Gelderland heb gevoegd, om niet alleen dat misplaatste beeld van ons prachtige gewest aan de kaak te stellen, maar óók om persoonlijke verhalen uit de Achterhoek de wijde wereld in te slingeren. Want voor veel mensen stopt ons land bij de Randstad, ík ben het daar níet mee eens. Sterker nog: ‘Wat doo’k hier feitelek?’, zal je niemand hier snel horen zeggen.

Ik heb na al die jaren dus eindelijk een nieuwe droom: precies zo’n onbezorgde, vrije, gezellige, bourgondische en rustige leefomgeving voor zoonlief creëren, waar ik zelf met zoveel liefde op terugkijk. Waar hij tijdens een winterse dag kan schaatsen op de plas naast de molen en in de lente op kikkerjacht kan gaan in het bos achter ons huis. De zomers staan in het teken van zwemmen in de IJssel en bulken Boerenijs wegslurpen. Om een paar maanden later in de herfst na de zoveelste frisse wandeling in de vrije natuur te genieten van lange middagen met thee. Overdreven en sprookjesachtig? Niet haalbaar? Gewoon bij Arnhem nog een stukje doorrijden tot je bíj́na in Duitsland bent en ervaar het zelf. Tut dalek!

Illustraties: Studio Zaterdag

2 reacties

Sjieke Spam

Een vorstelijke behandeling krijgen als lezer? Dat kan! Schrijf je in en ontvang direct een mailtje als een nieuwe column het levenslicht heeft gezien...

Koninklijk Archief