Ja Natuurlijk.

J

Om de betrokken partij te beschermen noem ik geen namen, maar íémand in mijn familie heeft ooit beweerd dat vissticks diepgevroren uit zee getakeld worden. Toen ik vroeg hoe die paneermeel dan zo goed bleef zitten onder water, kreeg ik geen antwoord. Best om te gieren dacht ik, maar het is om te huilen. Als je een persoon geboren ná het jaar 2000 namelijk vraagt om te gaan wandelen, beginnen ze waarschijnlijk te lachen. Heel hard. Om vervolgens weer terug te keren naar een uiterst boeiende whatsappconversatie met andere jeugdigen. En eerlijk is eerlijk, zelf ben ik stiekem geen haar beter. Want hoe prachtig, belangrijk en gezond dat groen, die blauwe hemel en de rode wangetjes ook mogen zijn, behalve een verdwaalde euro die ik jaarlijks in de collectebus van Natuurmonumenten prop, is het niveau buitenlucht in ons huishouden de afgelopen jaren tot nul gedaald. Of tot diep in het rood zelfs. Tot Het Kind er was. Sindsdien zijn we natuurfreaks geworden, met de nadruk op freaks, want we stippelen er zelfs hele routes voor uit.

Een gekke gewaarwording vind ik het. Dat ik ineens de vreemde behoefte heb om bij elk zonnestraaltje alle spullen bij elkaar te rapen en me sneller dan het licht naar het eerste de beste park of bos begeef. Want tsja, ik wil dus níet dat onze zoon het bleekneusje van het kinderdagverblijf is. Dat hij straks denkt dat koeien van nature paars zijn en dat varkentjes taarten kunnen bakken, net als bij Nijntje. Dus daar gaan we weer: tas mee, eten mee, kleed mee, muts mee, laarzen mee, fotocamera mee. Een gemiddelde wandeling brengt meer voorbereiding met zich mee dan een kampeervakantie naar Frankrijk. Maar daar krijg je dan wel écht heel veel voor terug.

Je bent jezelf aan het verbijten van de kou. Je probeert met alle macht vooral nooit te laten merken dat je stiekem best een beetje bang bent voor dat paard met die crazy eyes, of dat je een beetje doodgaat als je er twintig minuten over doet om één miezerig bospaadje af te leggen, omdat je kind zo goed zelf kan lopen. Heel goed zelfs, maar als er links en rechts slakken aan je voorbij trekken is er duidelijk ruimte voor verbetering. Uiteindelijk bereik je het beloofde land: als je dan die prachtige kinderboerderij of dat schitterende stuk heide hebt bereikt, kom je compleet tot rust. Als je de rokende hangjongeren, de schreeuwende kinderen en de keffende honden kan negeren uiteraard. Had ik al gezegd dat ik geen natuurmens ben? O ja.

Maar dan gebeurt het: net als ik me afvraag waarom ik me elke keer weer door die martelgang heen worstel, zie ik mijn zoon heel stoer en zonder enige vorm van angst op een paard afstappen. Of in dit geval twee paarden. Ik zie zijn ogen groot worden en er verschijnt een sprankeling in die ik alleen maar bij hem zie als hij buiten is. Hij steekt zijn kleine vingertje door het hek en slaakt een gilletje van blijdschap als ie daarmee per ongeluk één van de paarden voor een halve seconde weet te aaien. Terwijl hij vol enthousiasme ‘paa-t’ roept, springen de tranen me in de ogen en even denk ik dat ik gestoken ben door een viezige vlieg, of dat mijn niet-bestaande hooikoorts spontaan opsteekt.

Maar niets van dat alles, op dat moment is er geen ruimte voor sarcasme. Er is geen ruimte voor gezeur of grapjes. We zijn dan met ons gezinnetje één met de natuur. Tijdens dat heel kleine en korte moment besef ik me hoe graag ik zelf altijd buiten was en wat een fijne kindertijd ik heb gehad, doordrenkt van de modder. En wederom maakt onze kleine man weer een punt: ons leven is écht op alle fronten beter geworden met hem erbij.

Deze column verscheen ook online bij Fabulous Mama & Family op 22-02-2016.

Plaats reactie