In ’t Honderd.

I

Ken je die kleine rakker uit de Page-commercial van vroeger nog? Juist, zo’n onwijs schattige labradorpuppy die je bijna op kon eten van schattigheid. Zo’n beestje hebben we hier nu ook in huis, met de te verwaarlozen verschillen dat het in dit geval om een labradoodle gaat en dat ie inmiddels een maatje groter gegroeid is dan de originele reclamehond. Maar verder éven perfect, vertederend en ook die van ons laat je hart direct smelten van liefde. Of nou ja, als je enig gevoel in je donder hebt that is.

Dat laatste puntje levert in mijn geval namelijk nogal de nodige problemen op. Het is namelijk niet alleen zo dat ik totaal ongevoelig ben voor zijn non-stop kwispelende mini-staart en zijn blije ei-uitstraling in zijn oogjes, het schiet bij mij vrijwel altijd direct totáál de andere kant op. Dat ie me likt vind ik vies, dat ie mijn aandacht vraagt vind ik irritant en dat ie op de momenten dat ik alleen wil zijn altijd in mijn aura is geeft me oprecht kippenvel van ellende. Hoe erg ik me ook probeer te focussen op het Page-element van onze vijftien weken oude huisgenootje, ik heb soms oprecht de wens dat ie de pleeborstel was zodat ik ‘m zonder schuldgevoel zou kunnen verdrinken.

En steeds als ik het gevoel heb dat Cas (zo heeft zoonlief ‘m helemaal zelf genoemd) en ik een soort modus gevonden hebben met elkaar, gebeurt er weer iets waardoor ik hardhandig uit mijn droom geholpen word. Zoals de dag dat ik ‘m meenam naar mijn werk. Uit noodzaak geboren, maar het leek me ook nog best een gezellig idee. En dat was het uiteindelijk ook, hij gedroeg zich voorbeeldig en we zijn serieus iets nader tot elkaar gekomen denk ik. Maar de ongekende aandacht en liefde die hij kreeg van mijn collega’s was uiteindelijk wat het hardst binnenkwam. Knuffelen, aaien, stoeien en leven met een hond zoals ik werkelijk nooit zou kunnen: ik zag het zo’n dertig keer voorbijkomen met verschillende collega’s: niet ééntje daarvan was ik. Sterker nog: toen zélfs Peter R. de Vries met een glimlach uit wist te brengen dat ik wel écht een heel lief hondje bij me had dacht ik: ‘oké, dit is een verloren strijd’.

Maar ja, we hebben ‘m nu eenmaal en met een levensverwachting van zo’n vijftien jaar moeten we er tóch maar het beste van maken hè? Vroeger zou ik het me totáál niet moeilijk hebben gemaakt: ‘ik ben geen hondenmens en daarmee basta’, ik hóór het mezelf gewoon zeggen. Deze keer heb ik besloten om het enthousiaste van mijn man, kind en die talloze collega’s maar eens te absorberen. Als zij allemaal iets schattigs en ontwapenends zien in die kleine pluizenbol dan moet ík mijn hart toch ook heus wel een beetje kunnen openzetten? Ik ga het dus maar gewoon doen. Voor mezelf en mijn gezin. En met de zekerheid dat ik nu weet dat ik tientallen oppasadresjes achter de hand heb, is die opgave ineens toch nét ietsje makkelijker geworden.

1 reactie

  • Niemand kan Cas, Stach,Silas en jou weerstaan. Jullie zijn een prachtig gezin, die wij onze kinderen mogen noemen. We love you all four.❤️