Campinglife.

C

“Zou je dat eerst niet even voorspoelen?”, zegt een man tegen me. Hij staat naast me bij de afwastafels op de natuurcamping waar ik deze vakantie negen dagen bivakkeer. Met man, kind en hond. Ik kijk de meneer aan en terwijl ik me bedenk hoe enorm hij dankzij z’n outfit op een boom lijkt zeg ik bits: “Geen denken aan, ik wil dat het zo snel mogelijk voorbij is allemaal”. De afwas-sessie dus hè? Niet het leven. Just to be clear.

Op zich heb ik niet bepaald iets tegen de camping. Boeken lezen, hele dagen rosé drinken -zelfs nog voor de lunch- en je stoel neerklappen om wéér eens een hazenslaapje te doen: allemaal verre van shabby. De vlam slaat echter in mijn mentale pan door het overige gepeupel tussen de tenten en de caravans. Of zoals ik ze zie: het onkruid. Zijn me vooral tot last en ik zou ze het liefst net zo lang met gif besprenkelen tot ze volledig uitgeroeid zijn. Ik heb het voor de duidelijkheid over die arme onwetende en onschuldige campinggasten.

Ik doe heus wel écht mijn best hoor. Lief glimlachen naar de mensen die ik op mijn wandelroute met de hond tref, niet de héle tijd zeiken als ik een klusje moet doen en oprechte interesse faken bij het zoveelste verhaal van iemand die ik niet ken en ook niet wíl kennen. Maar af en toe slaan mijn stoppen gewoon door.

Als ik mezelf uit pure armoede al drie dagen niet gewassen heb en óók al 72 uur in dezelfde boxershort loop, wil ik gewoon in één rechte lijn naar de douche kunnen marcheren. Zonder dat ik daarvoor in een wachtrij plaats moet nemen tussen mannen met grijze snorren en nog twijfelachtigere hygiënestandaard dan ikzelf op de camping. Het volop aanwezige geluid van poepende mensen in zo’n huisje really puts me over the edge. Ik weet dat het bestaat, maar het hoeft absoluut niet door mij aangehoord te worden. Mijn eigen lichaam reageert daar sowieso nogal intens op, vanaf de aankomst bij een openbaar toilet gaan mijn darmen op slot. Hoe dat werkt weet ik niet precies, maar álles blijft binnen tot het echt niet meer anders kan.

En als klap op deze zomerse vuurpijl doet het gebrek aan WiFi me uiteindelijk definitief de das om. Ik schaam me er serieus enorm voor, maar ik kan me echt niet langer dan twintig minuten vermaken zonder even doelloos op Instagram te scrollen. Of niet weten wat zich in de wereld buiten het kampeerterrein afspeelt. Schuimbekken en alles. Als een totale freak bel ik non-stop mijn voicemail omdat m’n iPhone daarna magisch even een 4G-verbinding in de diepe bossen van Brabant tot stand weet te brengen. Voor zo’n tien seconden gemiddeld. Echt beeldschoon en rustgevend die bomen en de huppelde konijntjes om me heen, maar het geluid van binnenkomende notificaties maakt pas écht een einde aan mijn innerlijke onrust.

Is deze eerste echte kampeervakantie sinds mijn jeugd dan een totale mislukking en desillusie voor mij gebleken? Helemaal niet, het tegenovergestelde zelfs. Ik zou het zo weer overdoen en tijdens het inpakken van de tent vecht ik later zelfs tegen de tranen. Het constante geknuffel door zoonlief werkt namelijk verslavend. Evenals zijn non-stop aanwezige lach omdat ie intens geniet. Van de vrijheid en de tijd met elkaar. Dat gevoel snap ik dan weer wel: het is heerlijk om de dag actief met hem en zijn andere papa mee te maken, in plaats van de clichématige samenvatting tijdens het avondeten waar ik dan maar half mijn aandacht op richt. Geen klok, geen haast, geen beslommeringen en geen verplichte nummertjes. Dat gedeelte van de zomervakantie zou ik graag mee naar huis willen nemen voor de rest van het jaar. Maar dan wél met mijn eigen wc onder de bips graag.

1 reactie